uitwerpen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·wer·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitwerpen
wierp uit
uitgeworpen
klasse 3 volledig

Werkwoord

uitwerpen

  1. overgankelijk met kracht naar buiten brengen
    • De vulkaan wierp grote hoeveelheden puin uit. 
  2. overgankelijk overboord gooien
    • Zij wierpen het anker van het schip uit. 
  3. overgankelijk, (sport) met een worp buiten de grenzen van het speelveld brengen
    • Die bal werd uitgeworpen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.