inwerpen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·wer·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inwerpen
wierp in
ingeworpen
klasse 3 volledig

Werkwoord

inwerpen

  1. overgankelijk met een worp iets ergens inbrengen
    • Zij hadden hun hoofddeksels uit vreugde de lucht ingeworpen. 
  2. overgankelijk door iets te werpen stuk maken
    • [...] daar zij niet alleen bij de fabriekanten [sic] maar zelfs bij onderscheidene particulieren de glazen inwierpen. 
  3. overgankelijk (sport) met een worp weer in het spel brengen
    • De bal werd snel ingeworpen en daarna feilloos voorgezet. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.