kasta

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Faeröers

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse kasta.

Werkwoord

kasta

  1. gooien


IJslands

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse kasta.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid deelwoord
(supinum)
3e pers enk. 1e pers mv.
kasta kastaði köstuðum kastað
volledig

Werkwoord

kasta

  1. gooien



Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • kas·ta
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Noorse werkwoord kaste.
Naar frequentie 15427
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud kasta
kastet
mer kasta
mer kastet
mest kasta
mest kastet
o enkelvoud kasta
kastet
meervoud kasta
kastete
kastede
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
kasta
kastete
kastede
mer kasta
mer kastet
mest kasta
mest kastete
mest kastede

Bijvoeglijk naamwoord

kasta

  1. gegooid, geworpen

Werkwoord

kasta

  1. verleden tijd van kaste
  2. voltooid deelwoord van kaste
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

kasta, mv

  1. bepaalde vorm nominatief meervoud van kast
Synoniemen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • kas·ta
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Nynorske werkwoord kaste.
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud kasta meir kasta mest kasta
o enkelvoud kasta
meervoud kasta
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
kasta meir kasta mest kasta

Bijvoeglijk naamwoord

kasta

  1. gegooid, geworpen

Werkwoord

kasta

  1. onbepaalde wijs, tweede vorm naast kaste, zie aldaar

kasta

  1. verleden tijd van kasta
  2. voltooid deelwoord van kasta

kasta

  1. gebiedende wijs van kasta
Schrijfwijzen

Werkwoord

kasta

  1. verleden tijd van kaste
  2. voltooid deelwoord van kaste

kasta

  1. gebiedende wijs van kaste
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

kasta,

  1. bepaalde vorm nominatief meervoud van kast

Zelfstandig naamwoord

kasta, v

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kaste

Zelfstandig naamwoord

kasta

  1. verouderde spelling of vorm van kaste van vóór 2012
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud van kaste, v


Oudnoords

Werkwoord

kasta

  1. gooien


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • kas·ta
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse kasta.
stamtijd
infinitief verleden
tijd
supinum
kasta
kastade
kastat
volledig

Werkwoord

kasta

  1. gooien