kaste

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kas·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kaste kasten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kaste v/m

  1. (religie) een streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
    • De kaste waarin je wordt geboren leef je in. 
  2. (sociologie) een zeer gesloten sociale kring
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kassen

kaste

  1. enkelvoud verleden tijd van kassen
    • Ik kaste. 
    • Jij kaste. 
    • Hij, zij, het kaste. 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders
88 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Fins

Uitspraak
  • IPA: /ˈkɑste̞ˣ/
Woordafbreking
  • kas·te

Zelfstandig naamwoord

kaste

  1. doopsel
Verbuiging