Naar inhoud springen

gooien

Uit WikiWoordenboek
  • gooi·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gooien
gooide
gegooid
zwak -d volledig

gooien

  1. overgankelijk het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
     Het was nog een stuk moeilijker dan gedacht om een touw over een hoge tak te gooien.[4]
     Waarom heb ik het in godsnaam verkocht? Ik was kwaad, ik wilde al het oude opruimen, alles overboord gooien om ervan af te zijn.[5]

degooienmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gooi
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[7]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. gooien op website: Etymologiebank.nl
  3. "gooien" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Johan Harstad
    “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium (uitgeverij), ISBN 9789057598500
  6. 1 2
    Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be