marstempo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mars·tem·po
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord marstempo marstempo's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

marstempo o [1]

  1. een snelheid die hoort bij flink doormarcheren
    • De 24 man (inclusief drie vrouwen) sterke groep telt deelnemers van midden twintig tot eind vijftig. De komende vier dagen zijn ze op elkaar aangewezen tijdens de veertig kilometer in marstempo met volle bepakking (tien kilogram). [2] 
    • Nog één keer roffelen dat het een lieve lust is. Nog één keer in marstempo voor de meute uit. Nog één keer muzikaal in actie voor Rijssen. [3] 
  2. (muziek) ritme dat hoort bij flink doormarcheren
    • De Noord-Koreanen, die normaal alleen patriottische liederen in marstempo te horen krijgen, worden ook vergast op populaire Zuid-Koreaanse popliederen als ’Bang, Bang, Bang’ van de jongensband Big Bang of het liedje ’Heb elkaar lief’ van de geliefde vrouwengroep Apink. [4] 
  3. tempo dat past bij het opzeggen van het volgende versje
    • Een, twee, in de maat / Anders wordt de juffrouw kwaad / Maar de juffrouw wordt niet kwaad / Want wij lopen in de maat / Een, twee, in de maat / Anders wordt de juffrouw kwaad / Maar de juffrouw wordt niet kwaad / Want zij is van prikkeldraad [5] 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia 18-07-06 ‘Het is toch de kick’
  3. Tubantia Jeroen de Kleine 17-06-17 Laatste mars van Drumfanfare Wilhelmina in Rijssen
  4. De Telegraaf 08 jan. 2016 Luidsprekers voor de bühne
  5. www.inderliedjes.info EEN, TWEE IN DE MAAT geraadpleegd 20-11-2018