stal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stal
enkelvoud meervoud
naamwoord stal stallen
verkleinwoord stalletje stalletjes

Zelfstandig naamwoord

stal m

  1. (veeteelt) ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
    Ze helpt mee met het uitmesten van de stallen.
  2. (sport)een (handels-)onderneming die deelneemt aan wedstrijden met paarden, auto’s en dergelijke
    In internationale concoursen zijn de springpaarden uit zijn stal zeer succesvol.
  3. (verouderd) marktkraam
  4. (economie) verkoopruimte bij openbare gelegenheden zoals stations, ziekenhuizen en dergelijke
    Ik zal wel een bos bloemen kopen bij het stalletje op de brug.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Iets op stal zetten

  • Iets afdanken

Iets van stal halen

  • Iets inzetten

Het beste paard van de stal

  • De beste (van een team e.d.)

Het paard ruikt de stal

  • Iemand wil graag naar huis.
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
stelen

stal

  1. enkelvoud verleden tijd van stelen
    Ik stal.
    Jij stal.
    Hij, zij, het stal.

Werkwoord

vervoeging van
stallen

stal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stallen
    Ik stal.
  2. gebiedende wijs van stallen
    Stal!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stallen
    Stal je?