noodstal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nood·stal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord noodstal noodstallen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

noodstal m [2]

  1. een tijdelijke huisvesting voor het vee
    • ,,Het heeft vannacht gevroren, de dieren zijn nu rustig, zegt Hilderink senoir in een als noodstal ingerichte schuur. ,,Er is hier geen ventilatie. Als het zoals afgelopen weekend buiten een graad of twaalf, dertien is, staan de rammen hier te dampen. De kans dat er dan besmettelijke ziektes uitbreken, neemt dan sterk toe. [3] 
    • De boer hoopt dat er nog verkoop mogelijk is, omdat het ruimtegebrek nijpend wordt. “In de gewone stal heb ik geen ruimte meer. Misschien kan ik de kalveren nog bij een collega stallen. In het uiterste geval moet ik een noodstal bouwen, maar dat is niet ideaal omdat de dieren er erg dicht op elkaar staan.”[4] 
  2. plaats waar een paard door de hoefsmid beslagen kan worden
    • Het werk Paard bij de smid (ca. 1656-1660), een voorstelling die door navolgers vele malen is geïmiteerd, geeft ons een schat aan informatie. Hierop is bijvoorbeeld te zien dat de techniek van de hoefsmid in drieënhalve eeuw nauwelijks is veranderd. Zelfs het kapschort dat de smid draagt, ziet er vandaag de dag nog hetzelfde uit. Op de achtergrond is naast de smidse een paard in een noodstal vastgezet, met een ketting om zijn hals die hem op zijn plaats moet houden.[5] 
Synoniemen

Verwijzingen