stalletje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stal·le·tje
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘staanplaats op markt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1080 [1]

Zelfstandig naamwoord

stalletje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord stal

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen