slim

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slim
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘schrander’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1602 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen slim slimmer slimst
verbogen slimme slimmere slimste
partitief slims slimmers -

Bijvoeglijk naamwoord

slim

  1. intelligent, snel van begrip
    • Anneke is zestien, knap, populair en een van de slimste meisjes van de klas. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
stellend vergrotend overtreffend
slim slimmer slimmest

Bijvoeglijk naamwoord

slim

  1. slank
  2. lage kans van slagen
vervoeging
onbepaalde wijs to slim
he/she/it slims
verleden tijd slimmed
voltooid
deelwoord
slimmed
onvoltooid
deelwoord
slimming
gebiedende wijs slim

Werkwoord

slim

  1. gewicht verliezen


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

slim m

  1. (spreektaal) spijkerbroek met smalle pijpen
    «J'ai trouvé le slim qui modèle mon cul.»
    Ik heb de slim jeans gevonden die om mijn kont past. [1]

Verwijzingen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • slim
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Oudnoorse woord slím.

Zelfstandig naamwoord

slim o

  1. slijm, fluim
  2. tapijt van groenwieren.
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   slim     slimet          
genitief   slims     slimets          



Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • slim
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Oudnoorse woord slím.

Zelfstandig naamwoord

slim o

  1. slijm, fluim
  2. tapijt van groenwieren.
Verbuiging
o enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   slim     slimet     slim     slima  
genitief                
bijvorm enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief               slimi  
genitief