chip

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chip
Woordherkomst en -opbouw
  • Alle betekenissen zijn te herleiden tot het Engelse werkwoord en zelfstandig naamwoord chip, dat verschillende malen in verschillende betekenissen is geleend.
enkelvoud meervoud
naamwoord chip chips
verkleinwoord chipje chipjes

Zelfstandig naamwoord

chip m

  1. (ongebruikelijk) dun laagje koude gefrituurde aardappel (meest gangbaar in het meervoud of als verkleinde vorm)
  2. (techniek) een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
    Zonder chips zou het internet er nooit gekomen zijn.
Synoniemen
Hyponiemen
  • [1]
  • [2]
Afgeleide begrippen

[1]

Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
chippen

chip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van chippen
    Ik chip.
  2. gebiedende wijs van chippen
    Chip!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van chippen
    Chip je?

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
chip chips

Zelfstandig naamwoord

chip


vervoeging
onbepaalde wijs to chip
he/she/it chips
verleden tijd chipped
voltooid
deelwoord
chipped
onvoltooid
deelwoord
chipping
gebiedende wijs chip

Werkwoord

chip

  1. (overgankelijk) afkappen, afsnijden, afbreken, beitelen, kappen
  2. (onovergankelijk) afbrokkelen