fluim

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fluim
enkelvoud meervoud
naamwoord fluim fluimen
verkleinwoord fluimpje fluimpjes

Zelfstandig naamwoord

fluim o

  1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
fluimen

fluim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fluimen
    • Ik fluim. 
  2. gebiedende wijs van fluimen
    • Fluim! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fluimen
    • Fluim je?