sector

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sec·tor
enkelvoud meervoud
naamwoord sector sectoren
sectors
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sector m

  1. een deel van een cirkel in de vorm van een taartpunt
    • Berlijn was in de Koude Oorlog ingedeeld in sectoren. 
  2. (economie) een vakgebied of bedrijfstak
    • In deze sector zit aardig de klad. 
    • De verwachting was dat ze het hele Nederlandse bedrijfsleven zouden bestrijken en dat elke sector van het bedrijfsleven een eigen bedrijf- of productschap zou krijgen.[1] 
  3. (informatica) de kleinste eenheid van een harddisk die in één bewerking door een lees/schrijfkop kan verwerkt worden
    • Wat is de grootte van de sectors van die harddisk? 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Zelfstandig naamwoord

sector

  1. sector