cultuursector

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cul·tuur·sec·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord cultuursector cultuursectoren
cultuursectors
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

cultuursector m

  1. deel van de maatschappij, waar de kunst en cultuur wordt geproduceerd, gepresenteerd, gepubliceerd, geconsumeerd en geconserveerd
     Dat vindt Arnoud Van der Straeten van Utopia ook. „Ik werk al twintig jaar in de cultuursector, maar de bibliotheek van nu is de meest innovatieve, relevante en uitdagende instelling van allemaal.”[1]
     Oostvogel maakt deel uit van Blueyard, een coöperatie van adviseurs in de cultuursector en was tot en met 2017 directeur/bestuurder van De Doelen in Rotterdam. Oostvogel komt binnen op een moment dat er nog onzekerheid is over de toekomst van het theater in Deventer.[2]

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Tracy Metz op Wikipedia “De bieb wordt een hotspot” (6 december 2019), NRC
  2. Bronlink Weblink bron Martijn Ubels “Gabriël Oostvogel tijdelijk directeur Deventer Schouwburg” (24-10-2019), Tubantia