sectoraal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sec·to·raal
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen sectoraal sectoraler sectoraalst
verbogen sectorale sectoralere sectoraalste
partitief sectoraals sectoralers -

Bijvoeglijk naamwoord

sectoraal

  1. verdeeld in een beperkt aantal gelijksoortige delen
  2. van of voor een afdeling van organisatie
    1. (onderwijs) van of voor een geheel van verwante studierichtingen
    2. (overheid) van of voor een geheel van verwante beleidsterreinen
  3. (economie) van of voor een bepaalde globale categorie bedrijvigheid, bestaande uit een of meer grote bedrijfstakken
  4. (techniek) (van antennes) werkend in een richting die ongeveer een zesde (60 graden) van de horizon rondom beslaat

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.