plus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plus

Voegwoord

plus

  1. en, daarbij
  2. rekenkundige operatie
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord plus plussen
verkleinwoord plusje plusjes

Zelfstandig naamwoord

plus m en o

  1. (wiskunde) +: teken voor (optelling van) positieve getallen
    • Deze plus zou een min moeten zijn. 
  2. overdrachtelijk: een voordeel
    • We moeten alle plussen en minnen eerst eens goed op een rijtje moeten zetten. 
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
plussen

plus

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plussen
    • Ik plus. 
  2. gebiedende wijs van plussen
    • Plus! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plussen
    • Plus je?