puls

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • puls
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘stoot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1604 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord puls pulsen
verkleinwoord pulsje pulsjes

Zelfstandig naamwoord

puls [2] [3] [4] [5] [6]

  1. m impuls [7]
  2. v / m bij grondboring gebruikte holle cilinder om grond naar boven te halen [8]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
pulsen

puls

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pulsen
    • Ik puls. 
  2. gebiedende wijs van pulsen
    • Puls! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pulsen
    • Puls je? 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen