minus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mi·nus
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

  1. verminderd met, zonder
    • Vrienden zijn meestal geweldig, en als ze een relatie hebben zijn ze ook geweldig minus een half jaar: de eerste drie maanden van de verkering zijn ze irritant gelukkig en de laatste drie maanden van de verbintenis moet je ze dagelijks opvegen. [1]
Synoniemen
enkelvoud meervoud
naamwoord minus -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

minus o

  1. (economie) negatief saldo
  2. (wiskunde) symbool om een negatieve waarde of een aftrekking aan te geven
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Latijn

Bijwoord

minus

  1. minder
Overerving en ontlening