minus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mi·nus
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

  1. verminderd met, zonder
    • Vrienden zijn meestal geweldig, en als ze een relatie hebben zijn ze ook geweldig minus een half jaar: de eerste drie maanden van de verkering zijn ze irritant gelukkig en de laatste drie maanden van de verbintenis moet je ze dagelijks opvegen. [1]
     De kunst was om mijn basisgewicht (base weight) zo laag mogelijk te houden, het gewicht van alles dat ik droeg minus voedsel, water en gas.[2]
Synoniemen
enkelvoud meervoud
naamwoord minus -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

minus o

  1. (economie) negatief saldo
  2. (wiskunde) symbool om een negatieve waarde of een aftrekking aan te geven
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Deckwitz, E. Overnieuw (4 juli 2017) op website: nrc.nl geraadpleegd 2017-08-07
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Duits

Uitspraak
  • IPA: /miːnʊs/
Woordafbreking
  • mi·nus
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn

Bijwoord

minus

  1. (wiskunde) minus, min; kleiner dan nul
    «Wir haben heute Morgen minus 9 Grad Celsius.»
    's Ochtends is het min 9 graden Celsius.
  2. (natuurkunde) minus, min; negatief geladen
    «Der Strom fließt von plus nach minus
    De stroom vloeit van de plus naar de min.
  3. minus, min; kleiner dan het gemiddelde of de middelwaarde
    «Dafür hast du eine Eins minus verdient.»
    Daarvoor heb je een 10 min verdiend.
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Voegwoord

minus

  1. minus, min; verminderd met (-)
    «Vier minus eins ergibt drei.»
    Vier min één geeft drie.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Voorzetsel

minus

  1. minus, min; verminderd met (-)
    «Als tatsächliche Kosten muss man den Kaufpreis minus des Skontos bei frühzeitiger Begleichung der Rechnung.»
    Als daadwerkelijke kosten moet men de koopprijs minus de vroegboekkorting.
Synoniemen
Antoniemen


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

minus m

  1. (spreektaal) halve gare, geestelijk gestoorde
    «C'est un minus
    Hij is een stuk onbenul. [1]

Verwijzingen


Latijn

Bijwoord

minus

  1. minder
Overerving en ontlening


Pools

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

minus monbezield

  1. minus
Antoniemen


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /miːnʊs/
Woordafbreking
  • mi·nus
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn

Zelfstandig naamwoord

minus monbezield

  1. (spreektaal)(wiskunde) minus; symbool om een negatieve waarde of een aftrekking aan te geven
  2. (spreektaal) gebrek, tekort
Verbuiging
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Verwijzingen

Zelfstandig naamwoord

minus o

  1. (wiskunde) minus; symbool om een negatieve waarde of een aftrekking aan te geven
  2. gebrek, tekort
Verbuiging
Antoniemen

Verwijzingen

Bijwoord

minus

  1. (wiskunde) minus, min; kleiner dan nul
  2. minus, min; verminderd met (-)
Typische woordcombinaties

Meer informatie

Verwijzingen