voortplanten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voort·plan·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voortplanten
plantte voort
voortgeplant
zwak -t volledig

Werkwoord

voortplanten

  1. wederkerend (biologie) zich ~ een nieuwe generatie voorbrengen
    • Olifanten planten zich maar langzaam voort. 
  2. wederkerend zich ~ (van een golf) door een medium voortbewegen
    • Geluid plant zich sneller voort door een spoorstaaf dan door de lucht. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie