beplanten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·plan·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beplanten
beplantte
beplant
zwak -t volledig

Werkwoord

beplanten

  1. overgankelijk (een terrein) bezetten met de geschikte planten
    • Onze tuinier heeft het linkse perk beplant met rododendrons. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.