machinepark

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·chi·ne·park
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord machinepark machineparken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

machinepark o [1]

  1. (bedrijf) alle machines die in een fabriek aanwezig zijn
    • Kort daarna kon Michaël starten als reliability ingenieur. “Ik werk ondersteunend voor de afdelingen koffie, kaas en wijn. Ik sta mee in voor de betrouwbaarheid van het machinepark, zoals koffiebranders en verpakkingsmachines”, vertelt hij. Van bij de start kreeg hij een ‘peter’ toegewezen die hem goed opving en bij wie hij naar eigen zeggen altijd terechtkan. “Ik krijg steeds meer verantwoordelijkheden. In een grote organisatie als Colruyt Group zijn er zeker en vast doorgroeimogelijkheden. Niet alleen een diploma telt, ook je wilskracht en doorzettingsvermogen.” [2] 
    • De zware elektroheftruck voor bedrijven met grote machineparken is het nieuwste paradepaardje. Hyster verwacht dit jaar de eerste 30 te produceren voor een Duits bedrijf. Deze opdracht was het laatste zetje dat nodig was om de ontwikkelde elektrisch aangedreven truck ook daadwerkelijk in productie te nemen.[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Volkskrant De Standaard 03/05/2017 door (wv/bv)
  3. Tubantia Rob Jaspers 16-05-2017