wildpark

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

het enige wildpark van Nederland ligt bij het Aardhuis
Uitspraak
Woordafbreking
  • wild·park
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wildpark wildparken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wildpark o [1]

  1. een dierentuin waar inheems en/of jachtwild wordt gehouden in betrekkelijke vrijheid, en waar bezoekers te voet of per auto het leefgebied van de dieren doorkruisen
    • Zichtassen naar de groene omgeving zorgden voor een maximale natuurbeleving. En in oranjerieën werden in de winter kwetsbare planten opgesteld, een vroege vorm van natuurbescherming. Bijzondere dieren vonden een plek in de menagerie, voorloper van dierentuin en wildpark.[2] 
    • Uiteindelijk schreven ze zich met nog twee andere studenten in als 'Dutch UAS'voor de Wildlife Conservation UAV Challenge, een wedstrijd om mensen te stimuleren om onbemande vliegende systemen te bouwen die de neushoorn helpen te beschermen. Vanaf 31 oktober vertrekken de studenten naar Zuid-Afrika, om de drone daar verder te testen in wildpark Kololo.[3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen