parking

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1. gebied ingericht voor het tijdelijk plaatsen van motorvoertuigen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • par·king
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘parkeerterrein’ voor het eerst aangetroffen in 1975 [1]
  • pseudo-Engels
  • van Engels parking lot [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord parking parkings
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

parking m

  1. gebied ingericht voor het tijdelijk plaatsen van motorvoertuigen
Synoniemen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • par·king
enkelvoud meervoud
parking parkinges

Zelfstandig naamwoord

parking m

  1. (verkeer) parkeerplaats
Synoniemen

Verwijzingen