nu

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nu
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: nu
Oudnederlands: nū
Germaans: *nu
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: now (Angelsaksisch: nū), Duits: nun, (Oudhoogduits: nū), Fries: no (Oudfries: nū)
Noord: Zweeds/Deens: nu, Noors: nå, (Nynorsk: no, Oudnoors: nú), IJslands/Faeröers: nú
Oost: Gotisch: nu

Bijwoord

nu

  1. op het huidige tijdstip.
    Kan je nu je mond houden?
Synoniemen
Vertalingen

Voegwoord

nu

  1. drukt uit dat een bepaalde gebeurtenis heeft plaatsgevonden.
    Hij is een beroemd man, nu duidelijk geworden is hoe belangrijk zijn ontdekking is.


Bambara

Zelfstandig naamwoord

nu

  1. (anatomie) neus.


Catalaans

Bijvoeglijk naamwoord

nu

  1. naakt


Frans

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   nu nus
  vrouwelijk   nue nues

Bijvoeglijk naamwoord

nu

  1. naakt


Galicisch

Bijvoeglijk naamwoord

nu

  1. naakt


Portugees

Bijvoeglijk naamwoord

nu

  1. naakt


Roemeens

Bijwoord

nu

  1. nee


Transalpijns-Gallisch

Bijwoord

nu

  1. nu


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • nu

Bijwoord

nu

  1. nu

Zelfstandig naamwoord

nu o

  1. heden
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   nu     nuet     -     -  
genitief   nus     nuets     -     -