naakt

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • naakt
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen naakt naakter naaktst
verbogen naakte naaktere naaktste
partitief naakts naakters -

Bijvoeglijk naamwoord

naakt

  1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
  2. puur, onverbloemd, zonder franje
    • De naakte waarheid, zei de revisor, is dat de naakte cijfers bewijzen dat uw uitgeverij zonder haar blootblad niet rendabel zou zijn. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord naakt naakten
verkleinwoord naaktje naaktjes

Zelfstandig naamwoord

naakt o

  1. afbeelding van een naakte persoon of groep, inz. als kunstwerk of porno
  2. naaktheid als begrip
    • Hij is niet vies van een beetje naakt. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
naken

naakt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van naken
    • Jij naakt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van naken
    • Hij naakt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van naken
    • Naakt! 

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl