huismus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·mus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huismus huismussen
verkleinwoord huismusje huismusjes

Zelfstandig naamwoord

huismus v/m

  1. (vogels) Passer domesticus op Wikispecies, een kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
  2. (figuurlijk) iemand die het liefst thuis blijft
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie