verplichting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·plich·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verplichting verplichtingen
verkleinwoord verplichtinkje verplichtinkjes

Zelfstandig naamwoord

verplichting v

  1. iets dat moet
    • Hij was een verplichting aangegaan om het geld binnen 30 dagen te betalen. 
     Hoewel boeren in beide regelingen geld ontvangen om met hun bedrijf te stoppen, verschillen de doelen, middelen en de uitvoerder van de regeling. Wel is er één belangrijke overeenkomst: uitkopen gaat altijd vrijwillig. "Er zal nooit een zweem van verplichting aan zitten", verduidelijkt een woordvoerder van het Interprovinciaal Overleg (IPO).[1]
Uitdrukkingen en gezegden

Verplichtingen aangaan.

Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 25 juni 2022 Weblink bron “Deze opties hebben boeren om minder stikstof uit te stoten” (25 juni 2022), NU.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be