muis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een muis.
[3] Een muis.
[5] Beschuit met muisjes.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • muis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord muis muizen
verkleinwoord muisje muisjes

Zelfstandig naamwoord

muis v [2] [3]

  1. (knaagdieren) klein knaagdier, meestal van het geslacht Mus, met spitse snuit, grote oren en ogen en een lange, bijna onbehaarde staart
  2. verlegen, onopvallend persoon
  3. (informatica) invoerapparaat voor de computer dat wordt bewogen over een mat of ander oppervlak om een aanwijzer op een beeldscherm te bewegen
    • Mijn muis was stuk dus moest ik alles met het toetsenbord doen. 
  4. (anatomie) het onderste vlezige deel van de duim
  5. (alleen verkleinwoord meervoud) gesuikerde anijszaadjes, gebruikt als broodbeleg
    • Als er een kind geboren is, wordt traditioneel getrakteerd op beschuit met muisjes. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • Als de kat van huis is, dansen de muizen (op tafel)
Als er geen toezicht is, doen de kinderen waar ze zin in hebben
  • Het schip is met man en muis vergaan
Het schip heeft schipbreuk geleden zonder overlevenden
  • Zo stil als een muis, muisstil
Heel erg stil
Vertalingen

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
muizen

muis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van muizen
    • Ik muis. 
  2. gebiedende wijs van muizen
    • Muis! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van muizen
    • Muis je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie