opstopping

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·stop·ping
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opstopping opstoppingen
verkleinwoord opstoppinkje opstoppinkjes

Zelfstandig naamwoord

opstopping v

  1. verstoppende stremming
    • De plotselinge hagelbui tijdens het spitsuur veroorzaakt een flinke opstopping. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.