duwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

het duwen van een bus
Uitspraak
Woordafbreking
  • du·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
duwen
duwde
geduwd
zwak -d volledig

Werkwoord

duwen

  1. overgankelijk door druk uit te oefenen doen voortbewegen
    • Zij duwen de auto aan de kant. 
  2. ditransitief iemand iets opleggen of opdringen
    • Hij kreeg een prop in zijn mond geduwd. 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

duwen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord duw

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl