duwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

het duwen van een bus
Uitspraak
Woordafbreking
  • du·wen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
duwen
duwde
geduwd
zwak -d volledig

Werkwoord

duwen

  1. (overgankelijk) door druk uit te oefenen doen voortbewegen
    Zij duwen de auto aan de kant.
  2. (ditransitief) iemand iets opleggen of opdringen
    Hij kreeg een prop in zijn mond geduwd.
Antoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

duwen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord duw