manna

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·na
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘hemels voedsel’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1]
  • Herkomst: Grieks (gangbare Nederlandse versie) [2][3]

[4]

enkelvoud meervoud
naamwoord manna -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

manna o

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) (voeding) (religie) voedsel dat uit de hemel komt voor de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte naar Kanaän; het Hebreeuwse woord is 'man'; dat kan in Ex. 16:15 ook worden begrepen als 'wat?' (14×: Ex. 16:15, 16:31 +, Num. 11:6 +, Deut. 8:3 +, Joz. 5:12 +, Ps. 78:24, Neh. 9:20; ook 3× in NT)
  2. (plantkunde) Fraxinus ornus op Wikispecies pluim-es of manna-es
Verwante begrippen
  • Hebreeuws (transcriptieversie): man
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

IJslands

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

manna

  1. genitief onbepaald mannelijk meervoud van maður