dief

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Kippendief gepakt door hond

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dief
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dief dieven
verkleinwoord diefje diefjes

Zelfstandig naamwoord

dief m

  1. iemand (persoon of dier) die iets steelt
    Met de lokfiets kan de politie via een Google Maps-achtig systeem zien waar de dief de tweewieler naartoe brengt. Wie voor de eerste keer wordt gearresteerd hangt 300 euro boete boven het hoofd, zegt het OM Amsterdam. De tweede keer 450 euro, en de keer daarop volgt een gevangenisstraf van drie weken.[2]
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
dieven

dief

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dieven
    Ik dief.
  2. gebiedende wijs van dieven
    Dief!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dieven
    Dief je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. NRC Martin Kuiper 17 juni 2016


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord dief diewe

Zelfstandig naamwoord

dief

  1. dief