schurk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schurk
enkelvoud meervoud
naamwoord schurk schurken
verkleinwoord schurkje schurkjes

Zelfstandig naamwoord

schurk m

  1. (scheldwoord) een persoon die kwaad bedrijft
    • Die hele regering bestaat uit dieven, schurken en oplichters! 
  2. een ondeugend kind
    • Wat een schurk ben jij toch! 
Vertalingen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schurken

schurk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich schurken
    • Ik schurk me. 
  2. gebiedende wijs van zich schurken
    • Schurk je! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich schurken
    • Schurk je je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie