schurk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schurk
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘boef’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1701 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord schurk schurken
verkleinwoord schurkje schurkjes

Zelfstandig naamwoord

schurk m

  1. (scheldwoord) een persoon die kwaad bedrijft
    • Die hele regering bestaat uit dieven, schurken en oplichters! 
     De waarheidscommissie die nu was begonnen zou niet alleen onschuldige slachtoffers van de politieke processen van een kwade tijd vrijspreken. Ze zou ook schurken brandmerken en niet alleen Tsjecho-Slowaakse schurken.[2]
  2. een ondeugend kind
    • Wat een schurk ben jij toch! 
Vertalingen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schurken

schurk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich schurken
    • Ik schurk me. 
  2. gebiedende wijs van zich schurken
    • Schurk je! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich schurken
    • Schurk je je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen