schenker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schen·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schenker schenkers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

schenker m [1]

  1. iemand die iets cadeau geeft aan een ander
    • Schenkers zijn blij, omdat ze iets kunnen schenken, klanten zijn blij met hun aankoop en wij kunnen de opbrengst gebruiken voor onze projecten. Op het eind van de dag zijn er alleen maar winnaars. [2] 
    • Dankzij giften van plaatselijke bedrijven, scholen en andere organisaties is het afgelopen jaar veel tot stand gekomen op de kinderboerderij. Alle schenkers waren vrijdagmiddag uitgenodigd om de resultaten te bewonderen. [3] 
  2. iemand die drank inschenkt
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 24/oktober/2017 door Robin De Decker
  3. Tubantia 25-september-2017