bandiet
Uiterlijk
- ban·diet
- Via Duits Bandit van Italiaans bandito (< Latijn bannitus). In de betekenis van ‘struikrover’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599 [1][2][3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bandiet | bandieten |
| verkleinwoord | bandietje | bandietjes |
de bandiet m
- (scheldwoord) iemand die misdaden pleegt
- Ze zouden die bandiet een lange tijd op moeten sluiten.
- (in afgezwakte betekenis) deugniet, schavuit [2], vooral gebruikt voor kinderen
- (verouderd) struikrover
- [1] boef, crimineel, misdadiger, schobbejak, schurk [2]
- eenarmige bandiet
1. een schurk of misdadiger
- Het woord bandiet staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "bandiet" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "bandiet" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ bandiet op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Scheldwoord in het Nederlands
- Verouderd in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %