bureau

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
bureau

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bu·reau
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schrijftafel’ voor het eerst aangetroffen in 1793 [1]
  • Afkomstig van het Franse bureau [2]
  • [2] is oorspronkelijk een metonymische betekenis van [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bureau bureaus
verkleinwoord bureautje bureautjes

Zelfstandig naamwoord

bureau o

  1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
    • Met twee computers staat mijn bureau behoorlijk vol. 
  2. een (politie)kantoor
    • Je kunt aangifte doen op het bureau. 
Schrijfwijzen
  • (niet-officiële schrijfwijze) buro
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  bureau     le bureau     bureaux     les bureaux  

Zelfstandig naamwoord

bureau m

  1. kantoor
  2. bureau


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

bureau

  1. bureau; een werkmeubel voor administratief- en studiewerk