Naar inhoud springen

kantoor

Uit WikiWoordenboek
  • kan·toor
  • Leenwoord uit het Frans comptoir, in de betekenis van ‘werkvertrek, bureau’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1524 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kantoor kantoren
verkleinwoord kantoortje kantoortjes

hetkantooro

  1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
    • Hij ging gisteren weer naar kantoor om nog wat extra werkzaamheden uit te voeren. 
     Maar na een week in de woestijn en 5.000 dollar lichter, zit je vaak gewoon weer op maandagochtend op kantoor in een vergadering over targets.[2]
     ' Op een gegeven ogenblik moet ik het kantoor in Bread Street hebben verlaten en zijn teruggelopen naar het metrostation bij St Paul's.[3]
     Als jij nou nog even langs kantoor rijdt en die map ophaalt, dan pak ik je koffer in.[4]
  2. werkruimte met een of meer bureau's
     Ik herinner me dat hij zei: 'Tot een uur geleden was ze nog bij mij op kantoor.[3]
  • Aan het verkeerde kantoor zijn
Iemand die je niet kan helpen
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  1. "kantoor" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  4. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
enkelvoud meervoud
naamwoord kantoor kantore

kantoor

  1. kantoor o.