brengen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vervoeren’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
Indo-Europees: *bhrenk-[2]
  • Afkomstig van:
Middelnederlands: bringhen
Oudnederlands: bringan
Germaans: *bringanan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: bring (Angelsaksisch: bringan), Duits: bringen, (Oudhoogduits: bringan), Fries: bringe
Noord: Zweeds: bringa, Deens: bringe, Noors: bringe, bringa
Oost: Gotisch: briggan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
brengen
brɛŋə(n)
bracht
brɑxt
gebracht
ɣə'brɑxt
zwak -cht volledig

Werkwoord

brengen

  1. overgankelijk ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
     'Monsieur Point was erg goed in marketing. In die tijd lieten veel mensen zich vervoeren door een chauffeur. Hij beloofde de chauffeurs een gratis maaltijd als ze hun baas naar zijn restaurant zouden brengen', zegt Henriroux.[3]
    • Hij brengt altijd slecht nieuws. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Nedersaksisch

Werkwoord

brengen

  1. brengen; ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven


Veluws

Werkwoord

brengen

  1. brengen; ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven