brengen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: bringhen
Oudnederlands: bringan
Germaans: *bringanan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: bring (Angelsaksisch: bringan), Duits: bringen, (Oudhoogduits: bringan), Fries: bringe
Noord: Zweeds: bringa, Deens: bringe, Noors: bringe, bringa
Oost: Gotisch: briggan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
brengen
brɛŋə(n)
bracht
brɑxt
gebracht
ɣə'brɑxt
zwak -cht volledig

Werkwoord

brengen

  1. overgankelijk ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
    • Hij bracht zijn dochtertje naar de dokter omdat zij tekenen van griep vertoonde. 
    • Hij brengt altijd slecht nieuws. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.