afbrengen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afbrengen
bracht af
afgebracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

afbrengen

  1. iemand laten stoppen met wat hij denkt
    • Hij werd door een goed tegenvoorbeeld van zijn vooroordeel afgebracht. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • het ergens levend afbrengen
iets overleven
•  Toen de wapenstilstand ten slotte een aannemelijk vooruitzicht werd, begon de hoop het er levend af te brengen zelfs bij de grootste pessimisten post te vatten. [1] 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre Tot ziens daarboven 2014 ISBN 9789401601931 pagina 11