bracht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bracht

Werkwoord

vervoeging van
brengen

bracht

  1. enkelvoud verleden tijd van brengen
    • Ik bracht. 
    • Jij bracht. 
    • Hij, zij, het bracht. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie