zoekbrengen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoek·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zoekbrengen
bracht zoek
zoekgebracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

zoekbrengen

  1. overgankelijk tijd besteden zonder specifiek doel
    • Zij brachten hun laatste vakantiedagen zoek aan de kust. 

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders;
31 % van de Vlamingen.