bringe

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Limburgs

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bringe
brach
gebrach, gebróch
klasse 8 volledig

Werkwoord

bringe

  1. brengen
  2. geven


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • brin·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Middelhoogduitse werkwoord bringen, dat van het Oudhoogduitse werkwoord prinkan of bringan
vervoeging
tegenwoordige tijd, aantonende wijs, bedrijvende vorm
hele vervoeging zie bringe/vervoeging
onbepaalde
wijs
bringe
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
(hot) gebrocht
enkelvoud meervoud
1e persoon ich bring mir / mer bringe
2e persoon du bringt dihr / der
dihr / der
dihr / der
ihr / er
ihr / er
nihr / ner
bringt
bringe
bringt
bringe
bringe
bringe
3e persoon er bringt sie n
sie bringt
es bringt

Werkwoord

bringe

  1. overgankelijk brengen
    «Des Woch bring ich grosse Neiichkeede.»
    Deze week breng ik grote nieuws.
Hyponiemen
Opmerkingen