uitbrengen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitbrengen
bracht uit
uitgebracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

uitbrengen

  1. overgankelijk doen verschijnen, bijvoorbeeld in druk
    • Dit boek wordt volgende maand uitgebracht. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.