overbrengen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
overbrengen overbrengend
overbrenging overgebracht
Woordafbreking
  • over·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overbrengen
bracht over
overgebracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

overbrengen [1]

  1. (overgankelijk) van de ene locatie naar de andere brengen, transporteren, vervoeren, verleggen, verplaatsen
    Een aantal gewonden werden naar een ander hospitaal overgebracht.
  2. (overgankelijk) meedelen, melden
    Namens Piet moet ik je het volgende overbrengen:...
  3. (overgankelijk) van de ene persoon of zaak op de andere doen overgaan, omzetten, overdragen, overplaatsen
  4. (overgankelijk) naar een andere taal omzetten, vertalen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Vertalingen
Vertalingen


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overbrengen
overbracht
overbracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

overbrengen

  1. (overgankelijk)
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal