terugbrengen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·rug·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
terugbrengen
bracht terug
teruggebracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

terugbrengen

  1. (overgankelijk) naar het punt van vertrek brengen
    Het is bijna zeven uur, wordt het niet eens tijd je moeder terug te brengen?
  2. (overgankelijk) naar de eigenaar brengen
    Zou jij de sleutels naar de verhuurder terug kunnen brengen?
  3. (overgankelijk) een eerdere of lagere toestand herstellen
    Dat bracht de stand terug tot een gelijkspel.
Afgeleide begrippen
Vertalingen