rumboon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Rumboon.jpg
Uitspraak
Woordafbreking
  • rum·boon
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rumboon rumbonen
verkleinwoord rumboontje rumboontjes

Zelfstandig naamwoord

rumboon v/m [2]

  1. boonvormige bonbon gevuld met Jamaica Rum met een omhulsel van chocolade en suiker
    • Ging het om mijn grootmoeder, zij kende inderdaad alleen Jamaica. Maar dat kwam doordat het een merk rumbonen was die zij zich op haar verjaardag bij voorkeur liet schenken. [3] 
    • "Nou, ik was natuurlijk nog jong en woonde thuis, dus twee gulden ging naar mijn ouders en van de andere vijftig cent kocht ik rumbonen en pinda's. De pinda's waren voor m'n schoonouders. En ik bracht de zaterdagavond door met mijn meisje en de rumbonen." [4] 
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
41 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. rumboon op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. de Standaard 14 APRIL 2003 Joop van der Horst
  4. Tubantia 26-oktober-2007
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be