zegen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Leo XIII spreekt een zegen [2] uit.
Zegen [4]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • [2] goddellijke of bovennatuurlijke bijstand
    • Afgeleid van signum(Latijn). Bij het uitspreken van de zegen werd een christelijk kruisteken gegeven.
  • [4] visnet
enkelvoud meervoud
naamwoord zegen zegens
verkleinwoord zegentje zegentjes

Zelfstandig naamwoord

zegen

  1. m het verlenen van een goddelijke of bovennatuurlijke bijstand.
    Er rustte een zegen op zijn gehele huis.
  2. m het afroepen van [1] over iemand, met name door een lid van de geestelijkheid.
    De voorganger eindigde de dienst met het uitspreken van de zegen.
  3. m een voordeel of gelukkige omstandigheid die aan [1] toegekend wordt.
    Dat je weer op de been bent is echt een zegen!
    «Veel heil en zegen! (nieuwjaarswens).»
  1. v/m (visserij) vistuig bestaande uit een van drijvers voorziene bovenpees en een verzwaarde onderpees met daartussen het netwerk met een, al dan niet van een inkeling voorziene uitstulping of zak en waarvan de aan de boven- en onderpees bevestigde lijnen een lengte van ten hoogste 100 m hebben of, in geval de bovenpees langer is, niet langer dan de lengte van de bovenpees.[1]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zijgen

zegen

  1. meervoud verleden tijd van zijgen
    Wij zegen.
    Jullie zegen.
    Zij zegen.
vervoeging van
zegenen

zegen

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegenen
    Ik zegen.
  2. gebiedende wijs van zegenen
    Zegen!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegenen
    Zegen je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Reglement voor de binnenvisserij 1985