vrolijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vro·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘blij’ voor het eerst aangetroffen in 1200 [1] [2]
Indo-Europees: *prouo
  • Afkomstig van:
Middelnederlands: vrolik, vrölik
Oudnederlands: frōlīko
Germaans: *frawa-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vrolijk vrolijker vrolijkst
verbogen vrolijke vrolijkere vrolijkste
partitief vrolijks vrolijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

vrolijk

  1. in goede stemming
    • Ze is gelukkig vaak vrolijk. 
    • Hij werd daar niet vrolijker van. 
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Bijwoord

vrolijk

  1. in goede stemming
    • Hij lachte vrolijk. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen