binden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
binden
bond
gebonden
klasse 3 volledig

Werkwoord

binden

  1. vastmaken (evt. figuurlijk)
    • Hij bond de boot met een touw vast aan de paal. 
    • Door het schriftelijke contract waren de beide bedrijven gebonden aan de gemaakte afspraken. 
  2. iets om iets anders leggen
    • Hij bond een sjaal om zijn nek om een verkoudheid te voorkomen. 
  3. dikker maken van een saus meestal door bloem
    • Hij heeft de soep gebonden door er bloem aan toe te voegen en daarna te koken. 
  4. niet meer helemaal vrij zijn
    • Het vrije ondernemerschap is in Nederland gebonden aan wet- en regelgeving. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈbindn̩/, /ˈbindən/
Woordafbreking
  • bin·den
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
binden
/ˈbindn̩/, /ˈbindən/
band
/bant/
gebunden
/gəˈbʊndn̩/, /gəˈbʊndən/
volledig

Werkwoord

binden

  1. binden



Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
binden bant bonden gebonden
klasse 3 volledig  

Werkwoord

binden

  1. binden