modder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mod·der
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘mengsel van aarde en water’ voor het eerst aangetroffen in 1287 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord modder -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

modder m [3]

  1. mengsel van aarde, vuil en water
    • Haar laarzen waren helemaal besmeurd met modder. 
    • Albert kan zijn gezicht niet zien, het is met modder bespat. [4] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
modderen

modder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van modderen
    • Ik modder. 
  2. gebiedende wijs van modderen
    • Modder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van modderen
    • Modder je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen